Henk, je bent de eerste van de WAC die we interviewen. Kun je iets over jezelf vertellen?

Ik ben dan wel met pensioen, maar nog altijd actief binnen de systeemtherapie. Ik geef de module Wetenschap in de opleiding tot systeemtherapeut en ben sinds mei 2020 voorzitter van de WAC. Ook zit ik in de redactie van het tijdschrift Gezinstherapie Wereldwijd. Ik ben vanaf 1973 tot 2003 verbonden geweest aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en daar deed ik uitvoerend onderzoek op het gebied van systeemtherapie. Naast mijn werk aan de universiteit ben ik altijd werkzaam geweest in de klinische praktijk. Vanaf 2003 werkte ik als klinisch psycholoog bij het academisch centrum voor kind- en jeugdpsychiatrie De Bascule, sinds juli 2020 gefuseerd met Spirit [redactie: nieuwe naam Levvel]. Voor de NVRG heb ik ook een aantal jaren in het bestuur van de European Family Therapy Association (EFTA) gezeten.

Welk onderzoek heb je gedaan?

In 1998 ben ik gepromoveerd op het onderwerp ‘Consensus over psychiatrische problemen van het kind; een empirisch onderzoek naar overeenstemming tussen hulpverleners en ouders’ (Pijnenburg, 1998). Het ging over de vraag of ouders en hulpverlener het eens zijn over wat er aan de hand is en welke behandeling nodig is. Ik deed daarbij twee soorten onderzoek. Het ene was longitudinaal. Daarbij onderzocht ik of de mate van overeenstemming toenam naarmate de behandeling vorderde. Het andere was een contrastonderzoek. Ik onderzocht of er een verschil was in consensus over de behandeling bij gezinnen die zichzelf hadden aangemeld en gezinnen die onder voogdij waren geplaatst.


Kun je iets vertellen over de achtergrond van dit onderzoek? 

Het betreft een onderzoek naar de zogenaamde ‘non-specifieke’ factoren van de psychotherapie. Dat zijn factoren die een behandeling tot een succes maken, naast de specifieke therapie.

Ik vind het belangrijk dat de therapeut en de cliënt(en) hun visie op de behandeling met elkaar delen. Dat je als therapeut de moeite neemt erachter te komen wat de hulpvraag van de cliënt is. Je kunt je opstellen als expert die weet wat nodig is, of meer als gids die mensen begeleidt in een bepaalde richting. Feedback van de cliënt helpt om de werkrelatie te evalueren en te verbeteren.


Je werkte eerst als onderzoeker. Hoe ben je in de hulpverlening terechtgekomen?

Ik studeerde psychologische functieleer aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), waar ik ook onderzoekspractica begeleidde. Bij de vakgroep ontwikkelingspsychologie en speciale pedagogiek van de Vrije Universiteit (VU) zochten ze een psycholoog met methodologische kennis en vanaf dat moment heb ik kennisgemaakt met de hulpverlening. Mijn klinische werk heb ik altijd vanuit een onderzoekhouding gedaan.


Welke onderzoeken en literatuur hebben jou geïnspireerd?

Vooral onderzoek naar de non-specifieke factoren van de psychotherapie heeft mij geïnspireerd. Jerome Frank publiceerde hierover baanbrekend werk. Hij onderscheidde vier non-specifieke factoren die betrekking hebben op de context waarin de therapie plaatsvindt: de omgeving, de therapeutische relatie, het probleemverhaal van de cliënt en de voorgestelde procedure. Uitgangspunt is dat specifieke therapeutische interventies alleen maar positief uitpakken wanneer de cliënt ervaart dat die behandeling precies is wat hij nodig heeft (Frank, J.D. & Frank, J.B.,1991).

Het boek van Duncan, Miller, Wampold & Hubble (2010) ‘The Heart & Soul of Change: Delivering What Works in Therapy’) laat goed zien hoe belangrijk de therapeutische relatie is voor het effect van de behandeling.

Recenter werk dat mij boeit is van Hafkenscheid (2014), die de therapeutische relatie bij verschillende therapiemodellen uitwerkt.


Hoe denkt de systeemtherapie over het belang van de non-specifieke factoren?

Bepaalde stromingen binnen de psychotherapie, zoals de cognitieve gedragstherapie, leggen meer de nadruk op de specifieke interventies dan op de therapeutische relatie. Binnen de systeemtherapie is de therapeutische relatie heel belangrijk. De mate van belangrijkheid verschilt per perspectief. In het Handboek Systeemtherapie komen de verschillende perspectieven aan de orde. Ik heb het cognitief-gedragsgericht perspectief besproken (Pijnenburg, 2014).

Je bent ook lid van de Vereniging voor Gedrags- en Cognitieve therapie (VGCt en de sectie Relatie- en Gezinstherapie binnen de VGCt).

Klopt. Binnen die sectie benadrukken we het belang om in de individuele behandeling ook belangrijke anderen, partners, gezinnen te betrekken. Dit is binnen de VGCt nog geen gemeengoed. Voor systeemtherapeuten is dit evident. Moderne psychotherapie maakt veel flexibeler gebruik van verschillende behandelwijzen. Dus niet meer alleen individuele therapie of per se met het hele gezin in therapie, maar wat er nodig is afhankelijk van de situatie.


Wat wil je meegeven aan systeemtherapeuten en systeemtherapeutisch werkers?

Een onderzoekende houding is zo van belang! Wees kritisch op je eigen handelen en vraag je af: werkt het wat ik doe? Hoe zie ik dit terug in het effect op cliënten, koppels/gezinnen? Durf jezelf te bevragen en reflecteer op wat je aan het doen bent. Onderzoek in eigen praktijk kan ons vak verder brengen.

Daarnaast vind ik het heel belangrijk dat we kennis maken met de visie in andere landen op ontwikkelingen binnen de systeemtherapie en op de hoogte blijven van het onderzoek dat internationaal wordt gedaan. Zeker in de huidige tijd van globalisering en migratie moeten we in contact blijven met systeemtherapeuten in andere landen en culturen. Over de grenzen kijken, hoort bij ons vakgebied en bij de NVRG.  

 

Literatuur


Duncan, B.L., Miller, S.D., Wampold, B.E., Hubble, M.A., (2010). The Heart & Soul of Change: Delivering What Works in Therapy. Washington, DC: American Psychological Association.

Frank, J.D. & Frank J.B. (1991). Persuasion and healing; a comparative study of psychotherapy. Baltimore: John Hopkins University Press.

Hafkenscheid, A. (2014). De therapeutische relatie. Utrecht: De Tijdstroom.

Pijnenburg, H.C.E. (1998). Consensus over psychiatrische problemen van het kind; een empirisch onderzoek naar overeenstemming tussen hulpverlener en ouders. Amsterdam: VU Uitgeverij.

Pijnenburg, H.C.E. (2014). Cognitief-gedragsgericht perspectief. In: Savenije, A., van Lawick, M.J., Reijmers, E.T.M. (red.) (2014). Handboek Systeemtherapie. Utrecht: De Tijdstroom.

 

De WAC bestaat naast Henk Pijnenburg uit Elisa van Ee, Els Bos-de Groot, Robert van Hennik, Ramón Lindauer en Trudy Mooren. Zij komen om de beurt aan het woord over onderzoek in relatie tot systeemtherapie.